Op 7 april 1887 tekende Florian Anton bij het Koloniaal Werf Depot in Harderwijk een contract voor zes jaar bij de koloniale troepen. Het contract zou ingaan op de dag van inscheping naar Nederlands-Indië. Bij het ondertekenen ervan ontving hij volgens de notitie in het stamboek de bijbehorende premie van fl. 200,-
Het is zover: op 16 april 1887 vertrekt hij naar Batavia, aan boord van het stoomschip “Conrad”. Na een reis van zes weken arriveerde de ss Conrad op 28 mei 1887 in de haven van Batavia. De nieuwbakken KNIL-militairen werden eerst opgevangen in het Depot Bataljon in Batavia. Na het afronden van de eerste opleiding werden zij van hieruit overgeplaatst. Voor mijn grootvader betekende dat eerst overplaatsing naar het subsistentenkader in Batavia op 19 september 1887, een kazerne voor binnenkomende en doortrekkende militairen. Op 16 november 1887, twee maanden later, volgde zijn overplaatsing naar het stadje Padang op Sumatra. Padang was toen al een belangrijke aan- en afvoerhaven voor het leger, in een periode die in 1873 begon met de expedities naar Atjeh.
Opleiding tot opnemer in Padang
In Padang startte Florian Anton met de opleiding tot opnemer bij de toenmalige Topografische Dienst van het KNIL. We lezen in de archiefgegevens van het Nationaal Archief in Den Haag, dat hij op 27 juni 1888 toegelaten wordt als ‘élève-opnemer’. De bijbehorende rang zal vermoedelijk ‘soldaat’ of ‘soldaat 1ste klas’ zijn geweest, aangezien hij ruim een jaar later, op 15 augustus 1889, wordt bevorderd tot ‘korporaal opnemer’.
Wij zijn nooit te weten gekomen hoe hij in die periode de Nederlandse taal onder de knie heeft gekregen. Gezien zijn voorgeschiedenis in Europa werd hij pas tijdens en na zijn verblijf in Maastricht met het Nederlands geconfronteerd.
Voor zijn loopbaan in het leger was het blijkbaar geen belemmering. Misschien dat taallessen deel van de opleiding hebben uitgemaakt.
De onder militaire leiding staande Topografische Dienst begon omstreeks 1850 het Indische grondgebied in kaart te brengen. In 1886, na 36 jaar, is Java volledig in kaart gebracht en beginnen de opnemers vervolgens alle paden, rivieren, woongebieden et cetera van Sumatra’s Westkust in te tekenen. In 1906 is deze enorme klus geklaard. In de eerste jaren van zijn opleiding zal Florian Anton vanuit Padang te maken hebben gehad met de praktijk van het opnemen. Misschien dat een verblijf in het binnenland regelmatig op het programma stond.
Het zullen tijden van ontberingen zijn geweest, zo valt op te maken uit dit stukje dat geschreven is voor een tijdschrift gericht op ‘karteren’:
[…] maar nog in hetzelfde jaar werd hij aangesteld als élève opnemer van de Topografische Dienst. Als sergeant-opnemer werkte hij van 1887 tot 1895 onder leiding van kapitein J.J.K. Enthoven aan de opneming van de Westerafdeling van Borneo. Deze opneming ging met veel ontberingen gepaard en vergde veel van ‘het physiek en het moreel’ van het personeel. Als voorbeeld voor latere opnemers is er speciaal een boekje uitgegeven over deze kartering, waarin Werbata’s verslag van zijn meetopdracht in het stroomgebied van de Boven-Kapoeas is opgenomen. Het moeilijke terrein, de zelfs met prauwen nauwelijks bevaarbare rivier, ongeschikte koelies en slechte weersomstandigheden vormden de grootste problemen.
Uit: CAERT-THRESOOR, 24ste jaargang 2005, nr. 1
.
De genoemde Werbata is Johannes Vallentin Dominicus ‘JVD’ Werbata, een Nederlandse militair en cartograaf. Hij werd geboren in Padang in 1866 en is daarmee leeftijdsgenoot van Florian Anton. Het zou zo maar kunnen dat zij elkaar ooit eens gezien hebben.
De bevordering van Florian Anton tot ‘sergeant-opnemer’ is op 16 augustus 1890, twee jaar later gevolgd door de bevordering tot de rang van ‘sergeant-majoor-opnemer’.
Overgeplaatst naar Kota Radja
Op 3 mei 1893 loopt het eerste contract van zes jaar bij het KNIL af voor Florian Anton. Hij tekent voor twee jaar bij en ontvangt daarmee een premie van fl. 100,-. Vervolgens wordt hij overgeplaatst naar het subsistentenkader te Kota Radja, zo’n 1200 kilometer naar het meest noordelijke punt van het eiland Sumatra.
Kota Radja is de hoofdstad van de provincie Atjeh, de stad wordt in 1962 hernoemd tot Banda Aceh (wat ‘haven van Atjeh’ betekent).
Ruim een jaar na zijn overplaatsing, op 24 oktober 1894, wordt hij opnieuw overgeplaatst, terug naar Padang. Het verlengde contract loopt af in mei 1895.
Florian Anton verlengt het ditmaal met een jaar en ontvangt daarbij de gebruikelijke fl. 50,- premie.
Op 26 augustus 1895 slaagt hij voor het examen ‘opzichter-opnemer-3de klasse’, een paar weken na zijn 33ste verjaardag. Het succes is een vermelding in de krant waard. De letter ‘J’ zullen wij maar als spelfout beschouwen!
Op 3 mei 1896 wordt zijn contract met een jaar verlengd en hij ontvangt weer een premie van fl. 50,-.
Over het privéleven van Florian Anton in die tijd weten wij eigenlijk niets. Huisvesting zal in de kazerne zijn geweest, de vrije tijd deels in de stad, deels in de kazerne. Voor een jonge vrijgezel, militair of burger, was het niet ongebruikelijk om een relatie aan te gaan met een inlands meisje. Eigenlijk een uitvloeisel van het bestaan van slavinnen uit de tijd van de VOC. Met name van Bali werden toen mensen als slaaf naar Batavia gebracht. De slavernij in Nederlands-Indië werd in 1860 afgeschaft.
In die tijd werd een vrouw die met een Europese man samenleefde, vaak onder het mom van huishoudster, ‘njai’ genoemd. Een huwelijk met een Europese vrouw was vrijwel onmogelijk, alleen al door het feit dat er bijna geen ongehuwde Europese vrouwen naar Indië vertrokken. Als extra probleem gold de omstandigheid dat in Nederlands-Indië een huwelijk met een niet-christelijke vrouw bij wet tot 1848 was verboden. Daarna was het weliswaar toegestaan, maar bleef het ongewenst. Kinderen uit een relatie met een njai, werden óf door de vader geëcht óf gaven aanleiding tot een huwelijk.
Ook Florian Anton heeft voor zijn huwelijk in 1900 een relatie met een inlandse vrouw. Deze relatie is waarschijnlijk omstreeks 1894 begonnen, in de periode dat hij in Padang was gelegerd.
Uit de geboortedata van de twee kinderen die zij kregen, gecombineerd met de datum van zijn latere huwelijk met Henriëtte Wetters in 1900 valt af te leiden dat hij ongeveer zes jaar heeft samengeleefd met deze vrouw. Beide kinderen kregen de familienaam Nesvadba en hebben altijd deel uit gemaakt van het gezin dat Florian Anton later met Henriëtte stichtte. Of deze inlandse vrouw is overleden na de geboorte van zoon Eddy, het tweede kind dat zij van Florian Anton had, of dat zij in verband met zijn huwelijk met Henriëtte in de steek is gelaten, is niet bekend.