In de familie Nesvadba speelde na het overlijden van oma Jetje Nesvadba-Wetters een kwestie die te maken heeft met het landgoed Tjampea. Dit landgoed was ooit in het bezit van Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk, een van de vele kinderen van Jeremias van Riemsdijk. Bij mijn poging om het verhaal rond Tjampea te reconstrueren, kwamen aspecten van het koloniale leven naar boven, die aanleiding werden om het verhaal op papier te zetten.
Uit de stambomen van de familie Wetters, de familie Senn van Basel en de familie Van Riemsdijk, blijkt dat leden van deze families rond het midden van de 18de eeuw naar Nederlands-Indië zijn vertrokken. Een toekomst opbouwen in deze kolonie zal voor deze en vele andere families zijn ingegeven door de welstand die in Holland zichtbaar werd door bijvoorbeeld de handel in thee, tabak, koffie en specerijen. De in 1602 opgerichte Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) speelde in dit verband een zeer grote rol.
Van de genoemde families is de naam “Van Riemsdijk” het meest bekend gebleven. Jeremias van Riemsdijk vertrok in 1735 van Nederland naar Indië. In de loop van dat jaar trad hij in dienst van de VOC. Na een voorspoedige carrière werd hij in 1764 directeur-generaal van de VOC en in 1775 gouverneur-generaal.
Van Riemsdijk heeft zich in de loop van die jaren een buitengewoon extravagante levensstijl aangemeten. Hij zal daarbij zeker zijn beïnvloed door het gedrag van collega’s in vergelijkbare functies. Een decadente levensstijl, verweven met corruptie en nepotisme. Zo zette hij zijn zoontje Willem Vincent Helvetius op de loonlijst van het VOC, toen het ventje pas negen jaar oud was.
Jeremias van Riemsdijk bezat buiten Batavia landgoederen. Deze buitenplaatsen, vaak ontworpen door Hollandse architecten, werden op zeer luxueuze wijze ingericht. Meestal met personeel dat in Holland werd gevonden, onder meer voor aanleg en onderhoud van de tuinen. Op een zeker moment maakten ook ongeveer 200 slaven en slavinnen deel uit van het personeel op zijn bezittingen.
Ter illustratie de volgende tekst, waarin Van Riemsdijk wordt genoemd.
“Even buiten Batavia, aan de Antjolseweg, lagen de landerijen Schoonsigt en Vijvervreugt.
Eigenaar van deze landerijen was gouverneur-generaal Jeremias van Riemsdijk. Vijvervreugt dankte zijn naam aan de vijvers die er waren aangelegd. Voor de naam Schoonsigt had hij zich laten inspireren door het mooie uitzicht dat deze grond bood op de bergen en op de zee. In beide landerijen lagen waterpartijen, sterrebossen, speelhuizen, biljartzalen, oesterbanken ‘die seer lekkere oesters in goede quantiteyt uytleveren’, en er liep rundvee en een roedel herten.
In een brief aan zijn familie in het vaderland besloot Van Riemsdijk zijn opsomming wat Vijvervreugt en Schoonsigt te bieden hadden :
“Jagtjes en roeyschuiten, en een groot veehok, wel voorsien van kalkoen, capponen, hoenders, eenden en duyven, waarbij sig de huysmussen, die hier net zijn als in ’t vaderland, meede in menigte gevoegd hebben.
Op beide landerijen werken “een Europeese koetsier, een Europeese kok, twee Europeese oppassers en tweehonderd mans en vrouwslaven en haar kinderen”.
Jeremias van Riemsdijk schreef aan zijn zusters dat kruiden, groenten, fruit en bloemen welig groeiden in de Bataviase grond:
“Het gras groeyt daar als in Nederland soo meede allderhande kruyden groenten als salie, rosemaryn, wynruyt, salade, wortelen, selderye, andivie, kool in zoort, excepto blomkool, snyboonen, peulen, witte boonen, grauwe erwten, aardappelen en alderhande vrugten als soetappelen, citroenen, pompelmoessen, enz. en bloemen in menigte, daaronder witte leliën, angelieren en roosen, van welke laatste men van verre de reuk heeft”.
Van Riemsdijk was een goed voorbeeld voor zijn zoon Willem Vincent Helvetius. In 1776 beschreef de trotse vader aan familieleden het landgoed Tandjong Priok van Willem Helvetius:
“Myn soon, tans commissaris over den Inlander, heeft een extra fraaye buytenplaats gekogt een uur van Batavia geleegen aan de zeekant, genaamt Tandjong Priok, voor 16.300 rds., daar men een ruym gesigt in zee heeft en de schepen op de Bataviase rheede kan sien leggen, aan de landkant zyn fraaye bossen alle van vrugtbomen zeer vermakelyk”.
Slavernij kwam op ruime schaal voor in Nederlands-Indië. Naar schatting waren er onder VOC-bewind meer dan 70.000 slaven in het land.
De slavernij werd met ingang van 1 januari 1860 stapsgewijs in Nederlands-Indië afgeschaft. Op de Soemba eilanden gebeurde dat pas in 1910.
Een van de buitenplaatsen, het landgoed Huize Groeneveld, was als erfenis in het bezit gekomen van Catharina Margaretha Craan, de eerste echtgenote van Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk. Dit landgoed is een van de eerste landgoederen die hij in bezit kreeg. Willem Vincent vergaarde zijn rijkdom door de handel in suikerriet, daarnaast werd hij de grootste eigenaar van buitenplaatsen rond Batavia. Het heffen van belastingen bij de plaatselijke regenten droeg ook bij aan zijn vermogen, maar door de slechte wijze van besturen werd hij later ontslagen als bestuurder bij de VOC.
Huize Groeneveld omstreeks 1930
Ook particuliere ondernemingen werden zeer vermogend door het beheren van diverse landerijen. Denk hierbij aan de werkgever van Florian Anton Nesvadba, de Deli Maatschappij. Een van de oprichters van deze maatschappij was Jacob Nienhuys. De welvaart van het bedrijf stelde hem in staat om bv. villa ‘Medan’ in Baarn en een dubbelgrachten-huis in Amsterdam te laten (ver)bouwen.
In het verhaal over mijn grootvader heb ik de rol beschreven die “Oom” Willem Schadee als voogd voor de kinderen van Florian Anton heeft gespeeld. In zijn carrière bij de Deli Spoorwegmaatschappij bewoonde hij van 1905 tot 1914 de administrateurwoning van de Deli maatschappij. De foto laat zien hoe luxueus het aanzicht van deze woning is.
Terug naar Tjampea
Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk werd eigenaar/landheer van het landgoed Tjampea, een van de drie landgoederen die hij in 1778 en 1779 kocht van de VOC.
Voor het landgoed Tjampea betaalde hij op 15 september 1778 het bedrag van 67.400 Rijksdaalders. Op 30 maart 1779 was hij eigenaar van de landgoederen die sinsdien gezamenlijk Tjampea werden genoemd. Voor de twee aankopen na september 1778 betaalde Willen Vincent Helvetius 13.100 rijksdaalders.
De oppervlakte van Tjampea is vergelijkbaar met die van de onze provincie Utrecht. Het landgoed bevatte een bonte afwisseling van dichte wouden, uitgestrekte sawah’s, klapper- en rubberplantages. Het Gouvernement legde een miljoenen kostend waterkrachtwerk aan, een uniek bouwwerk in vergelijk met andere delen van Nederlands-Indië.
Op het landgoed woonden meer dan 100.000 personen, waarvan het inlandse deel zich vaak niet zo meegaand toonde als in de ogen van de eigenaren gewenst was. Overtredingen en misdrijven kwamen op het landgoed voor. De familie Van Riemsdijk kende in voorkomende gevallen zelfs hun eigen rechtssysteem inclusief rechtbank!!
In 1815, iets meer dan twee jaar voor zijn overlijden, vermaakte Willem Vincent bij testament Tjampea aan zes zonen, drie dochters en een kleindochter. Op de inhoud van het testament gold de regel van fideï-commis. Dit betekende in dit geval dat het landgoed pas door de nakomelingen van de vierde generatie verkocht mocht worden. De generaties daarvoor waren eigenaar, maar waren niet gerechtigd tot verkoop. Het testament werd kort na het opstellen uitgebreid met de namen van vijf geadopteerde kinderen. Van zijn 24 wettige en geadopteerde kinderen, hebben 14 kinderen en een kleinkind na zijn overlijden in 1818 een aandeel geërfd.
Nakomelingen van Willem Vincent, die hij niet heeft geecht en dus niet de naam Van Riemsdijk mochten voeren, kozen er voor de naam omgekeerd aan te nemen, in dit geval dus Kijdsmeir.
Na het overlijden van Willem Vincent bleef het landgoed eigendom van de erfgenamen. Deze situatie bleef tot 1 januari 1913. Vanaf die datum werd het landgoed verpacht aan de N.V. Bataviasche Exploitatie Maatschappij van Vaste Goederen. De aandelen van de N.V. werden beheerd door de familie Kievits. Deze situatie bleek voor Tjampea gunstig te zijn, de aandelen stegen in waarde.
De particuliere landerijen waren voor eigenaren een bron van ongekend hoge inkomsten. De arbeiders/slaven verdienden weinig, de opbrengsten van suiker, thee, rubber, enz. waren hoog. De groeiende rijkdom stelde de eigenaren en hun families in staat een bijzonder luxe leven te leiden. Sommige landerijen hadden zich daarbij ontwikkeld tot kleine bijna zelfstandige eenheden.
Het afschaffen van de slavernij en plannen van het gouvernement ten aanzien van bv. aanleg van wegen en spoorwegen, speelde een rol om de landheren over te halen tot vrijwillige verkoop van hun bezit.
Aangezien dit tot weerstand leidde besloot de regering in 1920, bij decreet van de toenmalige Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, tot onteigening van een aantal landerijen over te gaan.Van 1917 tot 1922 nam de regering voor het bedrag van fl. 47.000.000 landerijen van de eigenaren over. Omdat de onteigening ook inhield dat de eigenaren een schadeloosstelling zouden krijgen, moest ten eerste worden vastgesteld wie precies de eigenaar was en ten tweede de juiste waarde van de landerijen.
Van Tjampea werd vastgesteld dat de erfgenamen van Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk de wettelijke eigenaren waren het landgoed.
In de jaren na 1920 was de werelwijde crisis ook voelbaar in Nederlands-Indië. Daardoor werden de onteigeningsprocedures stopgezet, het geld dat er mee gemoeid zou zijn kon aan betere doelen worden besteed.
Vanaf 1927 werden de procedures weer hervat. Dit betekende voor Tjampea dat de regering een bod op het landgoed moest doen. De erfgenamen, ruim 300 in getal, werden vertegenwoordigd door advocaat jhr. mr. P. Feith.
Voor de erfgenamen was de geschatte waarde van hun bezit waarschijnlijk een onverwachte meevaller. Er werd in de pers een bedrag van meer dan fl. 10.000.000 genoemd! Maar helaas, de schatkist liet op dat moment niet toe dat zulke uitgaven werden gedaan. Het voornemen tot overname werd tot nader order uitgesteld.
Mr. P.R. Feith was in die jaren al geïnteresseerd in de geschiedenis van Nederlands-Indië en in de genealogie van families in Batavia. Mede door zijn inbreng bij het proces rond de onteigening van Tjampea en de naspeuringen naar de erfgenamen, publiceerde in 1934 hij samen met zijn collega Blois van Treslong het boek: “De bekende landheer van Tjampea c.a. Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk”.
In de bibliotheek van het Nationaal Archief in Den Haag is een exemplaar van dit boek in te zien. Van een tweetal pagina’s een kopie:
Op pagina 389 zien we in de lijst van erfgenamen de naam van Johanna Henriëtte Theodore Wetters. Zij is in het bezit van 1/1926 deel van een aandeel Tjampea.
Een van de erfgenamen van Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk was zijn zoon uit de relatie met Dekkan van Mandhaar. Deze zoon werd geadopteerd onder de naam Wilhelmus Diederik. In 1836 kreeg hij toestemming om de familienaam Benjamins aan te nemen. Hij kreeg tien kinderen uit zijn huwelijk met Frederika Kemper, waaronder de oma van Johanna Henriëtte Nesvadba – Wetters. Dit verklaart haar bezit van een gedeelte van een aandeel Tjampea.
Na het overlijden van oma Johanna Nesvadba-Wetters op 12 juli 1937 heeft Eddie Nesvadba, de oudste zoon van F.A. Nesvadba, zich met de noodzakelijke formaliteiten bemoeid. Hij woonde inmiddels net buiten Bandoeng niet ver van Johanna Henriëtte en had regelmatig kontakt met haar. Ten slotte had zij bij haar huwelijk met Florian Anton ook de twee kinderen uit zijn eerdere relatie geaccepteerd. Wij weten niet beter dan dat zij Corrie en Eddie net zo heeft behandeld als haar eigen kinderen uit het huwelijk met Florian Anton.
Vanuit Indië vroeg Eddie aan zijn halfbroers en zusters in Holland om hun recht op een deel van het aandeel te schenken aan hun halfbroer Hannie. Hannie was toen 20 jaar en vervulde op dat moment zijn militaire dienstplicht.
In zijn brief die hij enkele dagen na het overlijden van hun moeder aan de familieleden in Holland schreef, bracht Eddie het verzoek alsvolgt onder woorden:
De verklaring waarop Eddie doelde was een officieel stuk bestemd voor de raad van Justitie te Batavia:
Het verzoek van Eddie om het aandeel aan Hannie te schenken, veroorzaakte hevige onrust bij de erfgenamen in Holland. Door de berichten in de pers over de vele miljoenen die bij verkoop van Tjampea zouden toekomen aan de erfgenamen, werd het verzoek van Eddie langzamerhand als een poging tot misleiding gezien. Het ‘aandeeltje’ Tjampea kon wel eens veel waard zijn en zo zou de familie heel wat geld mislopen. Dit leidde in begin 1938 tot telefoongesprekken en brieven over en weer tussen de familie in Holland en in Indië.
Eddie ontving blijkbaar een brief van Florian (Boebie) Nesvadba, waarin de waarde van Tjampea, de waarde van een aandeel en dus de vermeende opbrengst voor de kinderen van Oma Nesvadba werd genoemd.
Op 31 maart 1938 antwoordde Eddie met de volgende brief:
Ook Henk Nesvadba, het derde kind van oma Nesvadba en Florian Anton, stuurde
een brief aan Eddie over het heikele onderwerp Tjampea. Het antwoord van Eddie:
Aan Florian (Boebie) Nesvadba schreef Eddie:
Uit de opeenvolgende brieven van Eddie valt op te maken dat hij met moeite zijn ergernis over de belangstelling voor het aandeel Tjampea, getoond door zijn familieleden, kan bedwingen. Toch blijft hij desondanks correct, het plaagstootje naar Boebie is eigenlijk wel humoristisch.
Na het uiteen vallen van het gezin in 1917 en de officiële scheiding in 1919, hebben de kinderen die met Florian Anton naar Holland vertrokken, hun moeder maar een keer terug gezien. Zij kwam met haar toenmalige echtgenoot, Christiaan Gersen en Hannie op bezoek bij de familie Kleyn, het pleeggezin in Amsterdam. Dat bezoek speelde zich af in 1929, daarna was er geen kontakt meer. Zij logeerden bij haar dochter Irma, in Amsterdam.
Eddie daarentegen heeft zijn stiefmoeder Jetje nooit in de steek gelaten. Hun band werd zelfs positief beïnvloed door het feit dat Eddie met zijn gezin in 1935 van Medan naar Tjimahi vertrok. Een plaats nabij Bandoeng, de woonplaats van Jetje. Mede daardoor leerde hij de gezinnen kennen van broers en zusters van Jetje.
In de brieven rept Eddie bv. over Oom Karel Nix, de man van Jeannette Wetters, een zuster van Jetje. Ook heeft Eddie veel belangstelling voor zijn jongere halfbroer, Hannie.
Inmiddels duurde de kwestie van de onteigening vaan Tjampea voort.
Dan een kort bericht in de krant op 28 maart 1940:
Vanaf de allereerste berichten over de voorgenomen onteigening van Tjampea in 1920, bleef het onderwerp tot de verkoop in 1940, in de pers terugkeren.
De gehele afwikkeling van de onteigening van Tjampea en de bijbehorende uitkeringen aan de erfgenamen werd natuurlijk sterk vertraagd door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Eddie werd opgeroepen in dienst en hij is krijgsgevangen gemaakt door de Japanse bezetter. In die situatie werd hij te werk gesteld bij de aanleg van de Burma spoorlijn. Gelukkig heeft hij deze periode overleefd, keerde terug naar Tjimahi en vertrok later met zijn gezin naar Holland.
In de papieren van mijn vader Florian (Boebie) Nesvadba vond ik de brief terug van 25 april 1949 van een advocaat in Batavia. Hierin noemt hij het bedrag dat Boebie uit de erfenis van zijn moeder, van het aandeel Tjampea, toe kwam.
Toen ik het bedrag las dat de erven ontvingen, realiseerde ik mij dat Eddie van begin af aan gelijk heeft gehad met zijn berichten aan de familie. Het wantrouwen dat in zijn richting was uitgesproken, bleek volledig misplaatst te zijn geweest.
Ik weet niet of de broers en zussen Nesvadba het onderwerp ooit met Eddie hebben uitgepraat na zijn aankomst in Holland. Wel weet ik dat Boebie goed contact met Eddie heeft opgebouwd in de periode na de scheiding van Eddie en Wiesje. Laten we maar aannemen dat de verstandhouding goed is geworden, bewijs voor het tegendeel heb ik niet.
Dit is de bewuste brief van de advocaat over het erfdeel Tjampea:
Tot slot:
De vraag naar mijn “Indische” wortels heb ik kunnen beantwoorden. Dat ik door die zoektocht een betere indruk kreeg van Indië in de periode dat mijn voorouders daar hebben gewoond en geleefd, is een bijvangst.
Het verhaal over Tjampea heb ik geschreven deels omdat het tot de geschiedenis van onze familie behoort en deels omdat ik geboeid raakte door facetten van de koloniale periode van Nederlands-Indië. In het Indonesië rond de eeuwwisseling mocht ik tweemaal bij mijn zus Olga en zwager Frans Gruber in Djakarta vertoeven. Het was alsof ik op bekend terrein arriveerde. De temperatuur, de geuren, de taal, het land.
Tijdens de uitstapjes in en rond Djakarta en tijdens de trip over Java naar Bali, zag ik ook ontelbare herinneringen uit het koloniale tijdperk. Van de indrukken die ik kreeg, is het bezoek aan de kleine begraafplaats in de botanische tuin van Bogor een van de mooiste. De Indonesische tuinman die wij ontmoetten, vertelde in goed Nederlands bijzonderheden van enkele graven. Misschien ben ik toen langs graven gelopen met een naam, die mij nu zeker zou aanspreken. Misschien van een van onze voorouders?
Een bijzondere tekst op dit graf van moeder en dochter uit het jaar 1851.
Hier nog wat meer om te lezen over Tjampea, op een andere website.