Voogdijschap

Eind 1920 werd Schadee benoemd tot lid van de staatscommissie die onderzoek moest doen naar onregelmatigheden bij de Nederlandse spoorwegen. Zijn aandeel in de werkzaamheden van deze commissie leidde op 30 augustus 1923 tot zijn benoeming als Officier in de orde van Oranje-Nassau.
Op 21 januari 1921 benoemde de Raad van Justitie in Batavia Schadee officieel tot voogd van de, in Nederland verblijvende, kinderen Nesvadba. Vervolgens werd, op verzoek van Schadee, Henri Kleyn op 8 april van dat jaar, door de kantonrechter in Amsterdam, benoemd tot toeziend voogd.
Op 1 juli 1922 ontvangt Schadee van het kantongerecht in Vysoké Mýto in de regio Pardubice de bevestiging van het voogdijschap over de in de brief vermelde kinderen. Hieraan ging een uitgebreide briefwisseling vooraf tussen Schadee, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassade in Praag. Misschien dat traagheid bij ambtelijke schijven in Tsjecho-Slowakije de oorzaak waren voor deze late reactie.
Vanaf het moment dat Oom Schadee benoemd werd als voogd, werd hij geconfronteerd met vragen over de juiste nationaliteit van de kinderen. Voor het eerst speelde dit bij de voorgenomen aanmelding van Henk voor de opleiding bij de marine. Correspondentie leidde ten slotte tot het officiële bewijs van het ’Nederlands-onderdaanschap’ voor de vijf kinderen Nesvadba. Een verzoek van Boebie tot naturalisatie werd in 1937 nog afgewezen. Pas in 1952 werd ’Nederlandsch onderdaan’ gewijzigd in de Nederlandse nationaliteit.

Een en ander kan worden verklaard met de volgende toelichting uit Wikipedia.
“Onderdaanschap: Nederlanders zijn tevens Nederlands onderdaan. Het omgekeerde geldt tegenwoordig ook, maar in het verleden waren er Nederlandse onderdanen die geen Nederlander waren. In voormalig Nederlands-Indië gold dit voor inlanders. Dit was geregeld in de Wet op het Nederlands onderdaanschap (Wet van 10 februari 1910, Stb. nr. 55). In 1927 werd deze ook van toepassing op Suriname en Curaçao en Onderhorigheden. Vanaf 1949 was deze niet meer van toepassing op het zelfstandig geworden Indonesië, maar nog wel op Nederlands-Nieuw-Guinea. Na de invoering van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in 1954 waren er alleen nog onderdanen-niet-Nederlanders in Nederlands-Nieuw-Guinea. Na de overdracht aan Indonesië in 1962/’63 was er geen apart begrip “onderdaan” meer.
Oom Schadee vertrok in oktober 1922 voor enige tijd naar Medan. Op dienstreis voor de Deli Maatschappij, in zijn functie van directeur. In ’De Sumatra post ’ werd zijn aankomst als volgt onder woorden gebracht:

De genoemde diverse zaken werden in een ander artikel nader toegelicht.
Ook de bestaande sociale contacten werden bij het verblijf van Schadee in Medan benaderd. Of was het een verkapt Sint Nicolaasbezoek? Op 19 januari 1923 gaat Schadee terug naar Nederland, zijn gezondheid was blijkbaar aanleiding voor het vervroegde vertrek. Hoewel het schip Amsterdam als bestemming heeft, gaat Schadee al in Genua van boord. Misschien om eerder thuis te zijn. Eind april treedt hij af als directeur van de Deli Spoorweg Maatschappij. Tijdens de jaarvergadering van Deli Maatschappij in 1924 werd Schadee gekozen als commissaris.